Het Vogelnestje

Er schommelt een wiegje in ‘t bloeiende hout,
Een wiegje met bloemen gordijntjes.
Dat hebben two vogeltjes samen gebouwd
En ziet eens hoe keurig en fijntjes.
Als ‘t windeke speelt, de lovertjes streelt,
Dan schommelt dat tedere wiegelijn mee,
Als ‘n scheepje op deinende zee.

In ‘t schommelend wiegje is ‘t wonder geschied
Uit eitjes zijn jongen geboren.
Nu zingt in verrukking het gaaike zijn lied
Een liedeke zoet om te horen.
Hoe ‘t jubelt door het hout
Hoe ‘t schaterd door het woud.
En ‘t moedertje dekt ze, van het luisteren niet moe
Met koesterende vleugeltjes toe.

S. Abramsz en L. Adr van Tetterode

Leave a Reply